Mijn grootmoeder langs vaderszijde was actief in de gewestleiding van de kajotsters. Monseigneur Jozef Cardijn was haar idool. Vandaag heb ik het op het strand met mijn zoon over enkele ‘Dwarsgedachten’ van Louis Tobback. Mijn zoon is enthousiast over het boek met de gelijknamige titel, in 2019 geschreven door Jan Lippens in gesprek met de voormalige burgervader van Leuven. Wat zou mijn grootmoeder ervan vinden dat haar 18-jarige achterkleinzoon zich aangetrokken voelt door het socialisme van Louis? Zou ze er iets op tegen hebben? Zou haar engagement in de Katholieke Arbeidersjeugd (KAJ) inderdaad geïnspireerd geweest zijn door de strijd tegen het rode gevaar zoals Louis beweert? Zou ‘oma’ écht gedreven geweest zijn om ‘de oprukkende verderfelijke invloed van het socialisme op de arbeidersjeugd in te dijken’?

Van tot waar hij al gelezen heeft, vindt mijn zoon de visie van Louis Tobback op asiel en migratie het interessants: ‘links heeft te weinig tot geen verhaal als het op dat thema aankomt’, stelt hij, ‘in de visie van Tobback kan ik mij wel vinden’. ‘Het is logisch dat we binnen laten wie we nodig hebben’, vervolgt hij, ‘en dat we zorgen voor wie in échte nood verkeert’. ‘De basis van het asiel- en migratiebeleid moet solidariteit zijn. Die realiseren we trouwens ook met goede ontwikkelingssamenwerking. Ik ben het eens met Tobback dat we mensen wereldwijd moeten helpen proces te maken, een proces dat we ook zelf gelopen hebben,  rond bijvoorbeeld betere arbeidsvoorwaarden. Dat is een veel beter recept dan dat alle mensen met slechte loonvoorwaarden naar hier komen.’

Zelf heb ik ook wel een ander opgestoken van Louis, nu ook mijn collega in de provincieraad van Vlaams-Brabant. We zijn het helemaal eens over de manier waarop de Vlaamse regering ‘haar decreet Lokaal Bestuur heeft afgelapt’. Tobback noemt het ronduit ‘schandelijk’. Hij klaagt aan dat gemeenten die nochtans deel uitmaken van de intercommunales niet per se vertegenwoordigers hebben in die intercommunales, en dat het beleid gemaakt wordt door niet verkozen managers. ‘Hebben de Vlaamse parlementsleden daar allemaal maar één seconde over nagedacht? Ik kan het niet geloven. Ze hebben zich afgevraagd: oei, wat gaan de mensen en de media zeggen als ik tegen dat decreet stem? Dat ik conservatief ben en een zakkenvuller, die postjes wil in stand houden. Die hele hervorming bulkt van de demagogie. De enige oplossing lijkt mij dat Vlaanderen wordt herleid tot vijftig of zestig grote gemeenten, met een tussenniveau tussen die gemeenten en de Vlaamse regering, noem het voor mijn part een streek – of regiobestuur als je het geen provinciebestuur meer wilt noemen’.

Niet verrassend, maar toch ook fijn om te lezen is hoezeer Tobback de Europese eenmaking genegen is. Hij gaat verder dan de meesten -en misschien ook wel dan ikzelf- en pleit ronduit voor een Europese regering met Brussel als ‘District Capital’. Tobback gelooft steevast dat Europa de toekomst is: ‘Als ik een jonge, beginnende politicus was, dan zou ik me kandidaat stellen voor het Europees Parlement. Daar ligt de toekomst als je iets te zeggen wilt hebben, veel meer dan in het federale of Vlaamse Parlement.’

Tobback is in ‘Dwarsgedachten’ niet mals voor de socialistische beweging. Zijn analyse houdt ook steek. ‘De historische socialistische actie heeft geen socialisten voortgebracht, maar kleinburgers. Die kleinburgers, met hun groeiende welstand en sociale afgunst, concluderen niet dat ze meer moeten delen en herverdelen, maar integendeel dat ze zo snel mogelijk moeten afraken van al die profiteurs waar zij belastingen voor betalen.’ De welvaartsstaat van na wereldoorlog II waar de socialisten mee hebben voor gezorgd, heeft met andere woorden aanzienlijke materiële vooruitgang gebracht. Nu zijn we meer dan ooit bang om die welvaart te verliezen. Op onze angst wordt gretig ingespeeld door populisten. Die leggen uiteraard niet uit waarom we belastingen betalen. Integendeel. Populisten spinnen garen uit het regerend ongenoegen in de samenleving. Ze gebruiken de fundamentele ontevredenheid en het diepe gevoel van tekort gedaan worden om er persoonlijk beter van te worden.

Tobback pleit er onder meer daarom voor om opnieuw aan ‘volksverheffing’ te doen en om uit te leggen waarvoor de herverdeling van de welvaart dient. Nu ‘kijken we alleen naar de volgende opiniepeiling. Dat is per definitie de waan van de dag, maar je komt er ’s avonds wel mee op tv’. Louis speelt ook met de idee om, als hij gezond blijft, in Leuven op bescheiden schaal een socialistische studievereniging op te richten. ‘Het is altijd mijn grote bekommernis geweest om de studie-en vormingsdiensten van de partij uit te bouwen, want ze zijn zowel de bron van nieuwe ideeën als van nieuwe mensen’.

Waarover Louis Tobback en ik het niet eens zijn, is dat ‘groenen nooit duidelijk gezegd hebben hoe ze de kosten gaan verdelen voor de noodzakelijke maatregelen voor het klimaat’. Op dat punt vervalt Tobback in karikaturen als zouden ‘groenen tegen economische groei zijn en socialisten niet’. Groenen hebben volgens Tobback te weinig kaas gegeten van het herverdelingsvraagstuk, maar dat durf ik tegen spreken. Het ecologisme dat ik aanhang is intrinsiek met herverdeling bezig. Het gaat echter wel uit van dat er grenzen zijn aan wat we kunnen produceren en consumeren.  De taart is deelbaar, maar niet oneindig. Ook dat is belangrijk om mee te geven in het kader van de ‘volksverheffing’: overdaad schaadt.

Voor Tobback is politiek de kunst van het gelijk krijgen. Zo verantwoordt hij waarom hij met de N-VA in zee zou kunnen gaan. Tobback is een politiek dier zoals Jan Lippens het in ‘Dwarsgedachten’ noemt. ‘Ik denk dat ik socialist ben geworden uit verontwaardiging omdat ik nooit echt gehecht was aan geld of bezit. Ik heb, met de hand op het hart, nog nooit enige sociale afgunst gevoeld. Speelde er een andere soort afgunst? Bijvoorbeeld dat ik zelf toch wel graag de plaats wilde innemen van de vorige burgemeester, partijvoorzitter of minister? Dan wordt mijn antwoord wat meer flou, denk ik. Ik wilde hun geld of status niet, maar wel hun macht. Er zit dus inderdaad wat grijze zone tussen mijn verontwaardiging en mijn Wille zur Macht.’

Mijn zoon heeft zijn antwoord klaar als ik hem de vraag stel naar de bocht die hij misschien wel neemt in vergelijk met zijn overgrootmoeder. ‘Van katholiek naar jongsocialist? Ik heb van jou geleerd dat we helemaal vrij zijn om te denken wat we willen. Tussen het moment van het engagement van ‘oma’ en nu, zijn trouwens meer dan tachtig jaar verlopen. Het is toch maar goed ook dat ik anders kan denken dan mijn overgrootouders? En misschien is er toch wel een en ander dat ons bindt? Ik wil me engageren voor meer gelijke kansen en rechtvaardigheid. Misschien heb ik dat van mijn overgrootmoeder? Of misschien heb ik het wel van u (lacht)?’