Afgelopen week bracht het VRT-programma Terzake mevrouw Veerle De Wulf uit Lint in beeld. Veerle erfde een achtste van het ouderlijk huis na de dood van haar vader, goed voor naar schatting 31.000 euro. Gelukkig is Veerle van haar erfenis echter nog niet geworden. Sinds 1 maart 2017 is het voor een huurder van een sociale woning die een huis of bouwgrond gedeeltelijk in volle eigendom heeft immers verplicht om voor 1 maart 2018 uit de onverdeeldheid te treden.

Zelf ben ik bestuurder bij de Sociale HuisvestingsMaatschappij (SHM) Dijledal in Leuven. Ook daar worden we nu geconfronteerd met verhalen zoals die van Veerle. Een vrouw moet bijvoorbeeld nog uit de onverdeeldheid treden na haar echtscheiding terwijl een notaris zich haast om een erfaandeel in een woning van een andere huurder over te dragen. Als sociale huisvestingsmaatschappij kunnen we weliswaar uitstel verlenen, maar van afstel is geen sprake.

Veerle moet haar erfenis ‘verzilveren’ om nog sociaal te kunnen blijven huren. Ze mag met andere woorden wél 31.000 euro op haar bankrekening zetten, maar ze mag geen eigenaar meer zijn van slechts een deel van een gehele woning. Voor Veerle is het geen simpele opdracht. Wat ze ook doet, haar verplichting zadelt ook anderen met kosten –en mogelijks problemen- op. Of ze dwingt haar broers tot uitkoop of ze verplicht haar moeder tot een belasting op een schenking.

Waar zijn we mee bezig? En vooral: wat bezielt Vlaams Minister voor wonen Liesbeth Homans om Veerle en de getroffen klanten van Dijledal te schofferen en over één kam met ‘foefelaars’ te scheren? Want dat is wat we gisterenmorgen in het Nieuwsblad konden lezen: “Met deze maatregel willen we de foefelaars uit de sociale huisvesting bannen”.

Ik zou iedereen willen oproepen om niet al te blindelings mee te stappen in deze retoriek. Door het over ‘foefelaars’ te hebben, leidt de Minister de aandacht van de publieke opinie af en hoeft ze zich niet te verantwoorden voor het feit dat er in Vlaanderen nog steeds een structureel tekort aan sociale woningen is. Door anderen ‘foefelaars’ te noemen, foefelt de Minister zelf een deel van het verhaal weg!

Dijledal

Zo is de wachttijd voor een sociale woning bij Dijledal nog altijd veel te lang, al varieert de wachtperiode naargelang het aantal slaapkamers. Voor een woning met 1 slaapkamer (alleenstaande/koppel) bedraagt de wachttijd 7 jaar, voor een woning met 2 slaapkamers (alleenstaande/koppel met kind) bedraagt de wachttijd 3,5 jaar, voor een huis of appartement met 3 slaapkamers (alleenstaande/koppel met twee kinderen) is het 4 jaar geduld uitoefenen, voor gezinnen met 5 of meer dan 5 personen bedraagt de wachttijd bijna 10 jaar.

Bij Dijledal staan momenteel 4019 kandidaten op de wachtlijst. Daarvan zijn een kleine 700 mensen ‘mutanten’ of mensen die al bij Dijledal wonen maar die door uitbreiding van het gezin of om bijvoorbeeld medische redenen een nieuwe woning toegewezen krijgen. De rest -3334- wachtenden zijn ‘externen’ of mensen die van de private markt op de publieke markt instromen.

Van de 3334 externen wonen 2508 kandidaten in Leuven zelf. De andere kandidaten wonen in het buitengebied of in één van de gemeenten waar Dijledal ook activiteiten ontrolt: Oud-Heverlee, Holsbeek, Bierbeek, Boutersem. Meer dan 63% van alle wachtenden is alleenstaand. Daarvan is 74% man en bijna 41% jonger dan 30 jaar. Van die grote groep groep jongeren is 69% niet-Belg. Het hoge aantal jonge alleenstaanden, gekoppeld aan het percentage niet-Belgen, doet directeur  van Dijledal Erik Thora vermoeden dat het gros ervan vluchtelingen zijn.

Dijledal heeft er deze legislatuur (2012-2018) voor gekozen om haar (al bij al beperkte) financiële middelen prioritair te investeren in de renovatie van het bestaande partrimonium. Dat heeft als voordeel dat de mensen die in een sociale woning van Dijledal wonen, kwaliteitsvol wonen of dat binnenkort zullen doen. Het heeft echter als nadeel dat er minder woningen zijn bij gekomen en dat de wachtlijsten opgeschoven zijn. Tijdens de renovatie moeten reeds bestaande klanten immers ook herhuisvest worden.

Bij Dijledal stelt het grootste probleem zich voor de grote gezinnen. Er zijn de laatste jaren weliswaar succesvolle initiatieven geweest om ‘onderbezette’ woningen vrij te maken ten voordele van de grotere gezinnen, maar er blijft een grote nood aan bijkomende woningen voor die doelgroep.

Ook de Vlaamse huurpremie biedt trouwens weinig perspectief. Om voor zo’n premie -een tussenkomst bij het huren op de private markt- in aanmerking te komen moet iemand immers al vier jaar op een wachtlijst staan van een SHM, gedomicilieerd zijn in het werkingsgebied van die SHM en maar een inkomen hebben dat onder de inkomensgrens ligt van die voor sociale woningen!

Creatief

Het mag duidelijk zijn. Ik vind het niet correct dat Minister Liesbeth Homans een groep mensen stigmatiseert en verantwoordelijk probeert te stellen voor een probleem dat veel fundamenteler is dan het al dan niet bezitten van een klein deel van een onroerend goed. Veerle en alle anderen in haar geval hebben wellicht vele jaren gewacht om betaalbaar en waardig te kunnen wonen. Het feit dat er een structureel tekort aan sociale woningen is, moet toegeschreven worden aan het ontoereikend beleid van deze Vlaamse regering om meer sociale woningen te voorzien en niet aan het feit dat Veerle een stukje van de taart van haar vader kreeg. Laten we dat niet vergeten en laten we vooral heel kritisch blijven voor vingerwijzingen. Sociale huurders zijn geen ‘foefelaars’. Het is gewoon tijd voor een ander, creatief en productief Vlaams sociaal huisvestingsbeleid.