UnknownGisteren, 30 mei 2016, noemde minister-president Geert Bourgeois de beslissingen over de hervorming van de provincies, het onderwijs en de kinderbijslag die de Vlaamse regering van N-VA, CD&V en Open VLD op 27 mei 2016 nam, historisch. In De Standaard sprak hij over beslissingen met een impact over de komende tien jaar. Op de vraag waarom er in de context van het onderwijs geen keuze werd gemaakt tussen domeinscholen of het klassieke systeem, antwoordde hij dat we het kind niet met het badwater kunnen weggooien. Ook over de beslissingen aangaande de provincies werd de communicatiemachine nog eens in gang gezet. Alsof we nog niet wisten dat deze Vlaamse regering de provincies zou afbouwen, en hoe ze dat zou doen.

2017 wordt ongevraagd 2018

We wisten al dat het aantal provincieraadsleden zou worden teruggebracht van 350 naar 175 vanaf de volgende verkiezingen. We wisten ook al dat er vanaf 2018 slechts vier gedeputeerden per provincie zullen overblijven. En we twijfelden er niet meer aan dat de persoonsgebonden bevoegdheden zouden uitkantelen. Meer zelfs, we wisten dat dit zou gebeuren op 1 januari 2017. De dienst jeugd van de provincie Vlaams-Brabant, die onder mijn bevoegdheid valt, was en is er dan ook klaar voor. Het afgelopen jaar 2015 bereidden we de uitkanteling van de werking naar Vlaanderen voor. We deden er alles aan opdat de jeugdwerking in Vlaams-Brabant niet te zeer getroffen zou worden door de institutionele veranderingen. We onderhandelden met minister Sven Gatz en spraken de modaliteiten van de uitkanteling van jeugd af. Het was alleen nog wachten op een beslissing over de centen door minister Homans.

Het klopt helemaal niet dat wij uitstel tot 1 januari 2018 nodig zouden hebben, zoals de minister-president beweert. Integendeel. Sommige provincies hebben zelfs hun subsidiereglementen al stopgezet en hebben hun budgetten herschikt. Nieuw uitstel betekent, anders dan gesteld door de Vlaamse regering, een jaar langer onrust voor de jeugdorganisaties. Het zal weer een jaar worden waarin de provinciale ambtenaren en beleidsmakers hun werk naar behoren proberen uit te voeren terwijl ze gebonden zijn aan een korte-termijnaanpak. Opnieuw zullen we allemaal begrip en geduld moeten opbrengen voor een Vlaamse overheid die niet klaar is met haar huiswerk. Om eerlijk te zijn, had ik van deze minister-president verwacht dat hij de verantwoordelijkheid voor de vertraging in dit dossier voor eigen rekening zou nemen, eerder dan de indruk te wekken dat de provincies deze vertraging zelf zouden hebben gevraagd.

Efficiëntie én effectiviteit

De operatie van de bevoegde minister Liesbeth Homans voor de provincies blinkt niet uit in efficiëntie. Als we zouden becijferen hoeveel menselijke energie en financiële middelen dit al heeft gevergd zonder echt resultaat, dan zouden we duizelen. Ook de vraag waarheen de hervorming moet leiden, blijft fundamenteel onbeantwoord. Meer zelfs: de afbouw van de provincies is zo sterk gemediatiseerd dat niemand de vraag nog lijkt te stellen of dit project inderdaad wel tot iets beters zal leiden. ‘We bouwen de provincies af om de slagkracht te vergroten’, zegt minister Homans. Maar waarover gaat die slagkracht dan precies? Terwijl het uitkantelingsproces van de persoonsgebonden bevoegdheden al lang bezig is, en we er ook zelf uitvoering aan geven, heb ik nog altijd geen totaalvisie in handen. Waar is het doelstellingenkader waarbinnen de persoonsgebonden bevoegdheden van de provincie op vlak van jeugd, cultuur, sport en welzijn zullen worden ingepast? Zit er een visie achter welke onderdelen zullen uitkantelen naar Vlaanderen en welke naar de gemeenten? Of zal de verdeling van verantwoordelijkheden toch eerder nattevingerwerk zijn en ‘à la tête du client’ over de steden en de gemeenten worden verdeeld? Krijgt Antwerpen het grootste deel van de koek, en kan ‘’t Stad’ zich dan op de borst kloppen hoe groot en machtig ze wel is? Of zit er ook nog wat in de pot voor bijvoorbeeld Zichem?

Ik ben ervoor gewonnen dat we in een kleine regio als Vlaanderen -in andere landen zelf de maat van een provincie- het bestuur beter proberen te organiseren. Maar de inzet van een institutionele hervorming moet zijn dat je met gelijke middelen (efficiëntie) een hogere realisatiegraad van je doelen bereikt (effectiviteit). En dit zie ik niet in de operatie Homans. Ik zie wel dat Vlaanderen gretig is om het geld van de provincies binnen te halen, maar verder reikt deze ‘historische’ interne staatshervorming in mijn ogen niet. De wezenlijke verandering is (nog) niet in zicht.

 Bestuurlijke verrommeling

Het debat over welk bestuursniveau het best geplaatst is om welke verantwoordelijkheid inzake de grondgebonden bevoegdheden op te nemen, ontbreekt ook totaal. Tegelijk neemt de bestuurlijke verrommeling toe. Meer en meer trekken intercommunales rollen naar zich toe die ook al door de provincies worden opgenomen. Naargelang van het management van die intercommunales bestaat er (soms zelfs goede) samenwerking met de provincies, maar echt gezond kan je een evolutie waarbij verschillende actoren met hetzelfde bezig zijn niet noemen. Bovendien is een intercommunale geen rechtstreeks democratisch gelegitimeerde instantie. Een oppositiepartij heeft niet veel te zeggen rond de tafel van de intercommunale. Voor een democraat is een intercommunale dan ook geen alternatief voor een verkozen en legitiem provinciebestuur.

Ik pleit voor een verdieping van het debat. Als de N-VA de provincies het liefst helemaal wil afschaffen, dan neem ik de minister-president graag op zijn woorden: ‘een mens moet zich hoeden het kind niet met het badwater weg te gooien’. Vriend en vijand erkent inmiddels de toegevoegde waarde van provincies wat klimaatbeleid of fietssnelwegen betreft. Ook op vlak van e-government is een intermediair bestuur, een democratisch gelegitimeerd management tussen de lokale besturen en Vlaanderen, al opportuun gebleken. Ik teken dan ook overtuigd voor drie bestuursniveaus, met de ambitie om de rol van elk bestuursniveau scherp te definiëren. Mijn collega in het Vlaams parlement, Ingrid Pira, zal in de loop van deze week een voorstel indienen om dat intermediair niveau in te vullen met stads-en streekgewesten.

Tot deze stads- en streekgewesten er zijn, is het van belang dat de provincies voldoende middelen overhouden om de verantwoordelijkheden op vlak van grondgebonden bevoegdheden daadkrachtig te kunnen uitoefenen. In die zin is het belangrijk dat de Vlaamse regering het totaalplaatje bekijkt, en niet alleen redeneert hoe ze, los van elke inhoudelijke ambitie, nu zoveel mogelijk geld kan afromen bij de provincies. Dat is, zoals gezegd, niet efficiënt en nog veel minder effectief.

geld_4

 

Boter bij de vis van de provincies.Waar haalt de provincie haar middelen?

Tot voor kort beschikten de provincies over drie financieringsstromen. De eerste stroom, het Provinciefonds, werd in 2013 door de Vlaamse regering – zonder boe of ba – afgeschaft. Daardoor blijven er vandaag nog twee financieringsstromen voor de provincies over. Met uitzondering van Vlaams-Brabant heffen alle provincies een directe belasting. Bedrijven en gezinnen betalen een vast bedrag per jaar aan de provincie, met sociale correcties. In Limburg bijvoorbeeld betaalt een gezin in 2016 35 euro. Daarnaast innen de provincies opcentiemen op de onroerende voorheffing.

Ook Vlaanderen en de gemeenten verwerven inkomsten via de onroerende voorheffing. Op dit moment bedraagt de Vlaamse basisheffing 2,5% op het kadastrale inkomen (KI). De gemeentelijke en provinciale opcentiemen op de onroerende voorheffing variëren. In de provincie Antwerpen zijn de opcentiemen vastgesteld op 290 punten, in Oost-Vlaanderen op 295, in Vlaams-Brabant op 332, in West-Vlaanderen op 355 en in Limburg op 400. In Vlaams-Brabant betaal je dus provinciale opcentiemen ten bedrage van 2,5 x 3,32 = 8,3% van het kadastrale inkomen (KI).

Op 28 mei 2016 kondigde minister-president Bourgeois aan dat Vlaanderen haar basisheffing op het kadastrale inkomen (KI) zal verhogen en tegelijkertijd de provincies zal verplichten om hun opcentiemen te verminderen. Het geld dat de provincies niet meer nodig hebben voor de persoonsgebonden bevoegdheden die uitkantelen naar Vlaanderen, houdt Vlaanderen op deze manier in.

Dat lijkt allemaal logisch. Alleen is niet duidelijk in welke mate de provinciale opcentiemen moeten dalen. We praten al twee jaar lang zonder noemenswaardig resultaat en ook de ‘superministerraad’ van 27 mei 2016 geeft geen uitsluitsel. Zal de verplichte daling van de provinciale opcentiemen perfect overeenkomen met de totaalsom van de provinciale uitgaven aan de persoonsgebonden bevoegdheden sport, jeugd, cultuur en welzijn? Of zal Vlaanderen méér geld naar zich toe trekken? Zal Vlaams-Brabant genoeg opcentiemen overhouden om haar grondgebonden bevoegdheden naar behoren uit te oefenen, zeker gezien Vlaams-Brabant als enige van de vijf Vlaamse provincies geen inkomsten uit directe belastingen genereert?

De gemeenten moeten hun opcentiemen natuurlijk ook verminderen. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat zij door de hogere Vlaamse basisheffing méér inkomsten genereren. De vraag hoe Vlaanderen de 306 Vlaamse gemeenten hiertoe zal bewegen, blijft echter onbeantwoord. Net als vele andere vragen. En dat stelt teleur. Dat deze Vlaamse regering van NV-A, CD&V en Open VLD nog altijd niet kan zeggen waar de provincies nu precies aan toe zijn, is eigenlijk niet verantwoord. Het is niet bevorderlijk voor een efficiënt en effectief bestuur.

label klimaatneutraal_Vlaamsbrabant-014_liggend