Die ochtend stond Sophie voor mijn deur. Niet huppelend over haar eigen verhaal. En ook al niet flirtend met de kern van de zaak. Helemaal niet zoals gewoonlijk. Neen. Ze stond daar sprakeloos. Enkel haar armen maakten draaiende bewegingen. Om het zo dan toch maar gezegd te krijgen.
Inge was dood. Ze werd vermoord. Op gruwelijke wijze.
Sophie was bij de eersten om het te vernemen. Diezelfde morgen al was ze gecontacteerd geworden door de ‘BOB’. Inge had haar komst naar Leuven immers nauwgezet voorbereid. In een klein boekje had ze de adressen van vriendinnen van vriendinnen in wat voor haar dan toch een nieuwe stad was, opgetekend. Of zo dacht Sophie toch dat de speurders bij haar waren uitgekomen.
Later zat ik zelf ook voor een grote geblokte man. Net als in de film. Alleen had ik niets zinvols bij te dragen. Miljoenen vragen, maar geen enkel antwoord. Hoe heel zielsgraag ik dat uiteraard wel had gewild.
Mijn zus ‘did not cry’. Of toch alleen maar heel soms. Wel kwam ze nu vaker van Antwerpen naar Leuven, naar mijn huis. Wie kon ze nog vertrouwen? Ze zou ‘hem’, of misschien wel ‘haar’, kunnen kennen. De kans was zelfs groot dat ze bekend was met de dader. Want ze leefde jaren samen met Inge. Eerst op een tweekamerflat, daarna op een appartement.
De tijd verstreek en de pijn werd weggezet. Goed afgesloten op een rek geplaatst. Slechts af en toe ontsnapte er een herinnering. Boven de afwas bijvoorbeeld en soms ook een beetje -als zou het die noodlottige avond ook werkelijk het geval geweest zijn en een verschil hebben kunnen maken- onmachtig verwijtend: ” ze deed toch ook nooit de deur op slot!”
Het had anders moeten lopen. Inge en mijn zus. Ze hadden zelfs geen te hoog gegrepen dromen. Alleen maar afstuderen als handelsingenieurs. En dan daarna een goede job vinden, trouwen met de mannen van hun dromen, kinderen krijgen en voor altijd een paar keer per jaar samen op vakantie gaan.
Eigenlijk wist ik al op voorhand hoe mijn zus zou reageren toen ik haar vorige maandag belde. Natuurlijk was de dader van de moord op haar vriendin al gevonden. Ik herinnerde me zeker toch wel dat ze een “zot” hadden opgepakt?
Tot ze me woensdag dan zelf weer contacteerde en aarzelde dat het “misschien toch niet die zot was geweest”. Misschien was het wel een andere “zot” die het leven van haar vriendin had durven afbreken. Een ander mens die zonder de geringste zin voor de gevolgen van eigen doen en laten een knip had durven zetten in het leven van iemand anders, een leven dat nog boordevol plannen was.
Misschien. Maar als nieuws zeker verontrustend genoeg om maar weer eens heel ernstig te gaan twijfelen of je jezelf wel terecht steeds maar weer de vraag stelt: de vraag of er eigenlijk wel zoiets bestaat als absoluut kwaad?
Gelukkig zijn er nog mensen die in sprookjes geloven. Sprookjes met happy-endings. Sprookjes waar mensen niet verstrikt geraken in de bodemloosheid van hun eigen verlangen, of waarin ze een ander met manipulatieve truukjes aan een ongezonde eigenliefde trachten te onderwerpen. Gelukkig zijn er mensen die nog in sprookjes geloven. Sprookjes die kinderen (én ‘mensen’) de gerustheid in de slaap écht helpen vatten.

