Categorie archief: cultuur

“La vie est belle”

Er was eens een meisje dat Sili heette. Op twee krukken probeerde ze wat de jongens haar voordeden: ze verkocht ‘de Zon’. Met succes. Want ondanks haar handicap en het aanhoudende getreiter en geweld van de andere krantenverkopers werd zij de beste van Dakar… Zo vertelt Djibril Diop Mambety in 1998 met zijn film “La petite vendeuse de Soleil”, een prachtig document in een reeks films over mensen die volgens de regisseur ‘naief genoeg zijn om moedig te blijven’.

Ik heb “La Petite vendeuse de Soleil”, net als vele andere films uit Afrika, leren kennen op het Afrika Filmfestival van Leuven. Dat festival is vandaag aan haar 15de editie toe en heeft in de voorbije jaren een onmiskenbare steen bijgedragen aan de realisatie van de interculturele wereldsamenleving. Door films uit Afrika, de Arabische wereld en de diaspora te programmeren, heeft het festival immers stemmen naar Vlaanderen gebracht die hier anders nauwelijks tot helemaal niet zouden zijn gehoord.

Aanstaande vrijdag vangt het 15de festival aan met “Shirley Adams”, een film uit 2009 van de jonge Zuid-Afrikaan Oliver Hermanus. Bijzondere aandacht gaat dit jaar ook naar producties uit en over Congo. Zo staat de eerste Congolese langspeelfilm “La vie est belle” ook nog eens op het programma. Deze film uit 1987 van Benoit Lamy en Mweze Ngangura verbeeldt het verhaal van een arme boer die naar Kinshasa trekt om er zijn geluk als muzikant te vinden…

 

Meer informatie over het Afrika Filmfestival is te vinden op: www.afrikafilmfestival.be.

Selffulfilling Prophecy

Vorige week donderdag 4 maart 2010 werd één van de studenten van de Palestijnse circusschool, Sharaf Nayef Ali Alswetat, op brutale wijze van de bus gehaald, gearresteerd en gevangen gezet. Dat meldt de Vlaamse Jessika Devlieghere. Sharaf zou niet weten waarvoor hij werd aangehouden, en dat zouden zijn ‘belagers’ ook nog  eens 188 dagen lang zo kunnen volhouden…

Het mechanisme achter deze psychologische terreur is helder en doorzichtig. Als mensen maar hard genoeg onder de vleugels worden geschoten en in de rug gestoken, mag de rest van de mensheid er prat op gaan: jongens en meisjes als Sharaf zullen dan vanzelf wel worden waarvoor altijd al werd gevreesd.

En dan…? Dan komt het, als in elke selffulfilling prophecy, natuurlijk nooit meer goed. Of is dat nu net de bedoeling? Mensen breken tot op het bot om vervolgens geen enkele verantwoordelijkheid te hoeven nemen, laat staan verantwoording te moeten afleggen voor de eigen ‘inhalige’ daden en de meest flagrante schending van fundamentele mensenrechten?

Laat me hopen dat België als actueel voorzitter van de VN Mensenrechtenraad niet aarzelt om de wanpraktijken van willekeurige beoordeling en veroordeling in Palestina nog maar eens aan te kaarten. Eerder dit jaar toonde Steven Vanackere zich al een moedig Belgisch Minister van Buitenlandse Zaken door zich in Génève uit te spreken tegen de recente golf van criminalisering van homseksualiteit in Afrika. Het zou hem sieren nu ook voor de Palestijnse jongeren een lans te breken!

Voor meer info: http://www.palcircus.ps/

‘En wat deed mijn eigen volk?’

‘Het menselijke leven kan niet worden samengevat.Dat is maar al te waar. Wat niet kan worden samengevat, moet dus worden naverteld…’ . Met deze woorden begint Jos Vander Velpen zijn kroniek over Breendonk. Met een sobere pen geeft Vander Velpen een eerlijke stem aan de slachtoffers, maar laat hij ook op heel indringende wijze zien tot welk een sadisme mensen in staat zijn. Mensen zoals de Vlaamse SS’er Fernand Wyss die in september 1944 in Breendonk in dienst treedt, en die voor geen vernedering of ontmenselijking terugschrikt.

“Hetgeen mij het meeste pijn deed als persoon van Vlaamse oorsprong, was dat de twee SS’ers die belast waren met ons te slagen en ons te vernederen Vlamingen waren. Het is dat wat mij het meeste pijn deed. Als het maar Duitsers geweest waren…maar goed zij waren daar voor dat: zij waren wreed, sadistisch…maar mensen van ons eigen land, van onze eigen nationaliteit, Vlaming of eender wat,… Dat was het moeilijkste om te aanvaarden.  Gaston Gillis, gevangene nr.859″

Zo beramen enkele verzetslui uit Linden in 1944 een ontsnapping. Helaas lekken hun plannen uit. Het gevolg is dat ‘Warreke Poel’ tot bloedens toe wordt afgerost en daarna in de voetboeien wordt geslagen. Zijn vrienden zien de dikke ketens dampen van de hitte, en horen de Lindense paardenboer gillen van de pijn. Ze ondergaan allemaal hetzelfde lot. Dag en nacht lopen ze met hun kettingen rond waardoor hun benen zwellen. Tot grote genoegdoening van Wyss die de mannen bovendien verplicht om uren te gaan rondhuppelen op een met steenbrokken bezaaid terrein.

Op 6 mei 1944 worden de Lindenaars op de trein gezet naar het concentratiekamp Buchenwald. Onder hen ook de vader van mijn dierbare 84-jarige buurman Maurice. Toen ik gisteren met mijn kinderen van acht en elf het Fort van Breendonk bezocht, vonden we zijn naam terug in het register: “Armand Van Uytven, geboren te Houwaert op 26/01/1896, wonend te Linden, opgesloten te Breendonk als gevangene nr. 2533 tot 6/05/1944″. Armand Van Uytven overleed niet in Buchenwald, maar in het concentratiekamp Dora op 19/10/1944.

‘En wat deed mijn eigen volk?’ van Jos Vander Velpen verscheen al in 2003 en is uitgegeven bij EPO. Het boek vormt een mooie aanvulling op een bezoek aan het fort, en slaagt in het opzet om de herinnering aan het verleden levend te houden. Een verleden dat altijd bepalend is voor wie en wat mensen zijn.Moedig en groots, maar ook laf en allerkleinst.

Zoals ook nog eens zal blijken wanneer in hetzelfde Fort van Breendonk reeds in 1944 de ergste soort repressie plaatsvindt. Zo meedogenloos en gruwelijk dat journalist Paul Lévy, zelf gevangen gezet in Breendonk in 1940, het zogenaamde ‘Breendonk II’ een ‘ontwijding’ noemt van de plaats waar hij en zoveel anderen geleden hebben.

HALLELUJAH!

Gedichtendag

Een versje

Zij keek naar mij.

Waar heb je dát uit, vroeg ik.

Uit zee, zei zij.

En streelde mij.

 

Zij streelde mij.

Hoe wist je dit, vroeg ik.

Ineens, zei zij.

En kuste mij.

 

Zij kuste mij.

Hoe kom je dáár aan, vroeg ik.

Vanzelf, zei zij.

En lachte om mij.

 

Ze lachte om mij.

Mijn God, zei ik.

Niet waar, zei zij.

En keek naar mij.

 Toon Tellegen

‘Wie zijn we eigenlijk?’

Ik weet dat Bart De Wever zich graag identificeert als een adept van de ‘rechterzijde’. En dus ben ik wel genoodzaakt om me, daartegenover, te ‘linkerzijde’ te positioneren. Nochtans hebben we misschien wel iets gemeen. De vraag naar ‘identiteit’, en haar rol in de ontwikkeling van mensengemeenschappen, heeft me ook altijd bezig gehouden.  

Anders dan Bart De Wever wil doen geloven, behoor ik immers niet tot de mensen die “ ’identiteit’ afdoen als een product van een contingente verbeelding die de mensheid in de 21ste eeuw best achter zich kan laten…”. In 1996 werkte ik als verantwoordelijke voor ‘cultuur en ontwikkeling’ bij de toen nog  ‘kleine’ NGO Vredeseilanden. De actualiteitswaarde van de visie die we toen formuleerden, maar die ik even gemakkelijk weer terugvond in de ‘oude doos’, is treffend.

“Ondanks de inzichten van de laatste decennia, blijft in denken en handelen ontwikkeling nog vaak gelijkgesteld aan de graad van expansie van productie, productiviteit en inkomen per hoofd van de bevolking. Maar ‘ontwikkeling’ is zeker niet te herleiden tot een proces van economische groei alleen.

Verandering en ontwikkeling hebben in grote mate te maken met zelfbewustzijn en zelfvertrouwen. Ontwikkeling die de ontplooiing van mensen voor ogen heeft, kan dan ook niet uitsluitend oog hebben voor materiële noden. Mensgerichte ontwikkeling vereist niet alleen aandacht voor wat mensen (niet) hebben, maar vooral ook voor wie ze zijn.

Menselijke ontwikkeling is niet alleen gericht op de mens, zij gaat ook noodzakelijkerwijze uit van de mens. Mensen functioneren echter niet onafhankelijk van elkaar. Ze werken samen of concurreren en gaan allerlei andere relaties aan. Cultuur is hetgeen mensen met elkaar verbindt. Het is de ‘Sitz im Leben’ van mensen en bestaat uit betekenissen, normen en waarden die mensen actief ontvangen en ontwerpen.

Cultuur is bijgevolg een veranderlijk gegeven. Het is de context waarbinnen mensen, in interactie, hun identiteit construeren en verwijst naar wie en wat mensen zijn, naar hun ‘way of life’, naar hoe zij zich als groep sociaal, economisch en politiek organiseren.

Cultuur is bron van creativiteit. Creativiteit verwijst naar de verbeeldingskracht en de initiatieven die mensen nemen om zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden. De duidelijkst herkenbare vorm van creativiteit is kunst, maar creativiteit is ook van vitaal belang voor de industrie, handel, onderwijs en de sociale en maatschappelijke ontwikkeling.

Creativiteit is niet het monopolie van bijzondere mensen in bijzondere situaties, maar behoort iedereen toe. Het is het erfdeel van zowel armen als rijken, meerderheid en minderheid, geletterden en ongeletterden, mannen en vrouwen, jongeren en ouderen. Voor ontwikkeling is het van belang dat elke mens door expressie vorm kan geven aan zijn cultuur, dat mensen kunnen vertellen en gestalte kunnen geven aan wie zij zijn met hun ervaringen, hoop en vrees, dat zij creatief ‘productief’ kunnen zijn.

Van even groot belang als de mogelijkheid zelf productief te zijn, is de mogelijkheid om artistieke en culturele producties te ‘consumeren’. Muziek, theater, literatuur, film inspireren immers tot nadenken en kunnen een centrale rol spelen in het complex van zingeving en invulling van mens-en wereldbeeld. Zo fungeren ze als hefbomen voor individuele en collectieve verandering, maar bieden ze ook ontspanning en ontsnapping uit de dagelijkse sleur of het dwingende keurslijf van sommige tradities, van oorlog of repressie.

Na de tweede wereldoorlog kwam een proces van mondialisering op gang waarbij de wereld slonk tot het formaat van een dorp. Vanaf het einde van de jaren tachtig wordt zelfs gesproken van ‘global village’ en globalisering. Een tendens waarbij een ‘way of  life’ gekenmerkt door marktdenken en consumptief gedrag, wereldwijd wordt verspreid.

Parallel aan dit proces tekent zich echter ook een tendens van lokalisering af. Door de globalisering hebben mensen vaak een minder goed zicht op de processen van economische, sociale en politiek aard waaraan zij onderworpen zijn. In het zoeken naar een antwoord ‘wie zijn we eigenlijk’, doen groepen van mensen meer en meer beroep op een culturele eigenheid, die hen onderscheidt van andere groepen. Met de groeiende globalisering, en vermoedelijk als reactie erop, neemt het bewustzijn van culturele eigenheid en meteen ook de zichtbaarheid van de culturele diversiteit in de wereld toe.

Culturele heterogeniteit houdt veel mogelijkheden voor ontwikkeling in. Als maximale mobiliteit van en contact tussen mensen kan gegarandeerd worden, is verscheidenheid een positief gegeven. Door dialoog zijn mensen in staat kennis te verwerven over andere culturen, het verschil te overbruggen en puttend uit de culturele rijkdom van de andere, tot verandering, vernieuwing en ontwikkeling te komen.

Als dialoog en daarmee de mogelijkheid om de ander in zijn andersheid te kennen en te (h)erkennen ontbreekt, houdt culturele verscheidenheid grote gevaren in. Indien niet alle culturen dezelfde toegang hebben tot dialoog, is in een land of in de wereld heterogeniteit bron van conflict. Wanneer het een aantal culturen aan middelen ontbreekt om uit te drukken wie ze zijn, is cultuurimperialisme niet veraf.

Zij die geen toegang hebben, zijn een gemakkelijke prooi voor hen die wel beschikken. Aan machtstrijd tussen culturen, tussen die van autochtonen en allochtonen, tussen die van stad en platteland, tussen die van mannen en vrouwen, tussen die van jongeren en ouderen, … komt geen einde als niet geïnvesteerd wordt in voorwaarden voor culturele expressie en interculturele dialoog. Integendeel, dan leiden uitsluiting en hegemonisering tot gewelddadige en mensonwaardige confrontaties.”

‘Imagine me and you’

Met dit niet onbekende Amerikaanse komische drama, een film van Ol Parker uit 2005, werd gisterenavond in het Provinciehuis van Vlaams-Brabant de negende editie van het holebifilmfestival Vlaams-Brabant ingezet.

Het festival loopt van 10 november tot en met 27 november 2009 in Leuven, Aarschot, Halle en Landen. Op het programma staan vooral Europese prenten, maar ook producties uit Zuid-Afrika en China ontbreken niet. Meer informatie over het festival is te vinden op: www.holebifilmfestival.be.

Shouting the Fence

Foto Bruno Stevens

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Min en ta? Wie ben je?

Mabaref. Ik weet het niet.

Min wein jay? Waar kom je vandaan?

Mabaref. Ik weet het niet.

Keef w’sa lit hown? Hoe kwam je hier terecht?

Mabaref. Ik weet het niet.

La wein ra yeh? Waar ga je naartoe?

Mabaref. Ik weet het niet

Kech bit’ghanni? Waarom zing je?

B’ganni le’an b’ganni. Ik zing omdat ik zing.

Een prachtig artistiek statement over verzet, hoop en wanhoop, vreugde en verdriet van 300 koorzangers die in de huid kruipen van gewone Palestijnen. Een ode aan de universele behoefte om te communiceren, maar daartegenover de verschrikkelijke onmogelijkheid om bij elkaar te komen. ‘The Shouting Fence’, een muziekstuk van de Britten Richard Chew en Orlando Gough op tekst van dichters als de Palestijn Mahmoud Darwich, is in mijn kleren gekropen.

Des te meer om dat mijn tienjarige dochter, samen met haar klasgenootjes, mee zong en ik haar de afgelopen dagen voor mijn ogen groter heb zien worden. Betrokken, heel goed wetend waar ze mee bezig was, reizend van Gent naar Luik: zingen met een zichzelf helemaal eigen gemaakte boodschap voor de wereld. Het was, zoals een andere mama van de klas schreef, ‘ook een fantastische ervaring voor de kinderen. Dergelijke groeispurt van zelfvertrouwen en eigenwaarde; zelfs de meest ervaren therapeuten doen hier heel wat sessies over om dit te kunnen bereiken’.

http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/cultuur+en+media/kunsten/091010Theshoutingfence

Verticaal pluralisme?

Sinds oudsher hebben partijen in dit land een andere invulling gegeven aan de interpretatie van de in onze grondwet verankerde ‘vrijheid van onderwijs’. Als door de liberalen de nadruk werd gelegd op de ‘vrijheid van keuze’, dan gold voor de katholieken de ‘vrijheid van inrichting’. Als de liberalen, en ook socialisten, vonden dat de staat de vrijheid van keuze moest waarborgen, dan schikten de katholieken de rol van de staat onder aan hun particulier initiatief.

Schoolstrijd_gr

Vandaag staan opnieuw twee kampen tegenover elkaar, zij het dat de conflicterende partijen nu de traditionele zuilen overstijgen. Vandaag beroepen ‘zij’ zich op de vrijheid van inrichting, omdat ‘wij’ hen de vrijheid van keuze hebben ontzegd.

Maar is de oprichting van moslim-scholen wél een goede zaak? Dat is inderdaad de vraag. Tenminste als ze opentrokken wordt. Tenminste als we stil willen staan bij hoe het nu verder moet met de organisatie van ons onderwijs, en onze samenleving in het algemeen.

Gaan we verder in de lijn van het ‘verticaal pluralisme’ zoals dat door het Schoolpact van 1958 werd geïntroduceerd om een einde te stellen aan meer dan een eeuw schoolstrijd? Of kiezen we vandaag voor een meer ‘inclusief pluralisme’? Blijven we met andere woorden dobberen op het gewapend gehalte van de MULTI-culturele samenleving, of kiezen we voor de vruchtbare duurzaamheid van meer wisselwerking in een INTER-cultureel verhaal?

Duizend zonnen

De laatste dagen drong zich al verschillende malen een beeld in mijn herinnering op. Een beeld dat ik op televisie zag. Het beeld van een neergeknielde vrouw die onder het oog van overvolle tribunes in koele bloede met een nekschot werd geëxecuteerd. In een stadion in Afghanistan.

Het beeld daagde, ook vandaag nog. Waarschijnlijk omdat Afghanistan met de recente verkiezingen en weer een nieuwe aanslag verschillende keren in het nieuws kwam. Maar zeer zeker ook omdat de in blauwe burka gehulde vrouw voor mij nu een naam heeft. De naam van Mariam, ter wereld gekomen als een onbedoeld ding, onkruid, (n)iets.

In ‘Duizend schitterende zonnen’ vertelt de auteur Khaled Hosseini het verhaal van deze Mariam, een ‘harami’, een bastaard. Op diep ontroerende wijze schetst hij  het portret van een vrouw met een sterkste kern. Een vrouw die niets kreeg, en tenslotte zelfs ook dat nog weggaf. Aan de andere vrouw van de man aan wie ze op haar vijftiende verjaardag werd uitgehuwelijkt. Een man die haar terroriseerde, niet in het minst door zijn tweede vrouw Laila die hem wél de gewenste kinderen schonk, tegen haar uit te spelen.

Ik heb het tweede boek van de kunstenaar Khaled Hosseini met ingehouden adem uitgelezen. Bijna gehuild om de band en de grenzeloze liefde van twee vrouwen voor elkaar. Want dat was wat het was: “Mariam verliet de wereld als een vriend, een metgezel, een bewaarder. Een moeder voor Laila en haar kinderen. Het was dan ook niet zo slecht. Haar terechtstelling was een wettig einde aan een leven met een onwettig begin”.

Laila, van haar kant, zag Mariam nooit meer, maar “ziet tenslotte wel in dat het er niet toe doet. Mariam is hier, binnen de muren van de school waar ze werkt en die ze opnieuw hebben geschilderd, in de bomen die ze hebben geplant, in de dekens die de kinderen warm houden, in de kussens en boeken en pennen. Ze is in de lach van de kinderen. Ze is in de gedichten die haar dochter Aziza voordraagt en in de gebeden die ze mompelt als ze zich naar het westen buigt. Maar het meest van al is Mariam in Laila’s hart, waar ze schijnt met de schittering van duizend zonnen”.

Hij kan het , deze Khaled Hosseini. Hij kan het echt. Dat heb ik in mijn afgelopen vakantie ontelbaar veel keer aan mijn vriendinnen gezegd.